Leve het langs elkaar heen leven

Gewoon lekker jezelf zijn.

– VVD-verkiezingsslogan, 1982

Normaal. Doen.

– VVD-verkiezingsslogan, 2017

I

Het straatbeeld in de Schilderswijk is altijd eventjes confronterend, voor mij als braaf wit hoogopgeleid jochie dat zelden z’n bubbel uitkomt. Dat er oude dametjes en heertjes in traditionele kleding rondschuifelen, soit; ouderen zijn wel vaker wandelende anachronismen. Maar je ziet er ook kerels van een jaar of 30 rondlopen met imposante zwarte baarden, gehuld in gewaden (met Nikes eronder, dat dan weer wel). Mijn eerste reactie op dat beeld was: jezus, werp dat malle geloof toch van je schouders, doe een beetje losbandig, een beetje decadent! Je bent hier in de grote stad, niet in een Marokkaans boerendorp! En later kwam daar de gedachte bij: er zijn in Den Haag toch ook geen wijken waar vrouwen in lange SGP-rokken rondlopen, met zes blonde kindertjes achter zich aan?!

Op dat moment zag ik scherper dan ooit: voorzover er een botsing tussen de islam en Europa is, is het een botsing tussen het dorp en de stad.

Religie die pretendeert het leven van haar aanhangers te moeten reguleren, of religie als bron van puur persoonlijke zingeving. Angstvallig de schijn van maagdelijkheid in stand houden voor de huwelijksnacht, of zonder schroom erop los tinderen. Een gemeenschap waar je niet uit kan en die je nog decennia op je gênantste jeugdzonden blijft afrekenen, of gemeenschappen waar je vrijwillig in en uit stapt. Familie als een clan waarvan de eer met hand en tand verdedigd moet worden, of familie als een losjes verband waarmee je af en toe verjaardagen viert. Tot diep in je volwassenheid de dictaten van bedlegerige opa’s en oma’s opvolgen (dat veelbezongen “respect voor ouderdom” waar ze in andere culturen zoveel meer van hebben dan wij in het Westen), of als jong mens alle ruimte hebben om je eigen leven vorm te geven.

Het moge duidelijk zijn dat we in West-Europa, vooral in de grote steden, de knop vrijwel helemaal naar het tweede uiterste hebben gedraaid; en het moge ook duidelijk zijn dat veel immigranten een stuk verder de andere kant op zitten.

II

Het is dan ook geen verrassing dat linkse partijen zich zo ongemakkelijk voelen in het integratiedebat. Niet-westerse immigranten zijn vaak zielige mensen, voor wie je lief moet zijn, volgens de linkse basisinstincten; tegelijkertijd brengen die zielige mensen waarden met zich mee – hetzij opgehangen aan de islam, hetzij aan een ongezond fanatiek derdewereldchristendom – die keihard ingaan tegen precies die vrije stadslucht waar links zestig jaar lang voor geknokt heeft. Dit leidt tot een curieus soort doublethink waar al vele surrealistische betogen uit zijn voortgekomen (het eerste voorbeeld dat bij me opkwam).

Tot zover niets nieuws onder de zon, maar ik wil het ook eens over de rechtse partijen hebben. Die slaan de plank namelijk óók volledig mis. In plaats van pal te gaan staan voor de liberale waarden tegenover het bekrompen dorps- of zelfs stamgevoel van sommige migrantengroepen, verzinnen ze een “Nederlandse identiteit” waar iedereen zich maar aan heeft te conformeren. Nederland als dorp – spruitjeslucht met spruitjeslucht bestrijden.

Neem de VVD. Van oudsher is dit de partij van een bijna nihilistisch laat-maar-waaienliberalisme, van “lekker jezelf zijn” en “je eigen ding doen.” Toen Mark Rutte zich in 2006 kandidaat stelde voor het lijsttrekkerschap, zei hij dat hij ook wel eens mensen op de VVD-lijst wou hebben ‘met een oorringetje of gek kapsel’; in de oppositie profileerde de VVD zich als verdediger van het vrije individu tegen het “betuttelende” kabinet-Balkenende IV.

Hoe de tijden zijn veranderd! Onder aanvoering van domme boer Halbe Zijlstra zet de VVD nu zelf vol in op CDA-burgermansfatsoen als hoogste ideaal. Niks geen “lekker jezelf zijn”, we moeten nu allemaal “Normaal. Doen.” Was het hele idee van het liberalisme niet dat er ook ruimte moet zijn om Abnormaal te Doen?

III

Van het CDA zelf zijn we dat soort neigingen meer gewend. Met plannen als de maatschappelijke dienstplicht willen Buma en consorten verschillende groepen in de samenleving tot één grote saamhorige gemeenschap smeden – een drang die treffend verbeeld is door Bas van der Schot.

Mij lopen de rillingen over de rug bij het idee. Ik wíl helemaal niet “verbonden” worden met Marokkaanse omaatjes, hockeyende corpsballen, Antifa-activisten, Frans Bauer-fans of huisvrouwen met kortpittig kapsel uit Waddinxveen. Ik wil mijn eigen leven leiden, met mijn eigen vrienden, hobby’s en humor, zonder dat tot vermoeiens toe uit te hoeven leggen aan mensen die heel anders in het leven staan.

Een voorbeeld: ik schaats. Ik kom dan ook veel op ijsbanen. Naast een baan voor de hardrijders hebben de meeste ijsbanen ook een ijshockeybaan, en op ijshockeywedstrijden komt op z’n zachtst gezegd een iets ander publiek af dan op langebaanschaatsen. Ik vind het een beetje sneue types (en misschien vinden ze dat ook wel van mij): niet al te intelligente mannen die heel erg hun best doen om de macho uit te hangen. Petjes, bontkragen, kale koppen, tattoos.

Heb ik last van hun andere levensstijl? Nee. Zou iets ervan verboden moeten worden? Nee. Maar heb ik ook maar de geringste neiging om een geforceerde “dialoog” of “verbinding” met hen te zoeken? Néé! Wij leven langs elkaar heen en dat is voor beide partijen verreweg het aangenaamst.

IV

Ik pleit voor meer waardering voor het langs elkaar heen leven, een begrip dat eigenlijk alleen maar negatief wordt gebruikt. De anonimiteit van de grote stad, waar verschillende subculturen naast elkaar kunnen bestaan die enorm van elkaar verschillen maar elkaar ook nauwelijks tegen hoeven te komen, is een groot en ondergewaardeerd goed. Lekker je eigen ding doen, en schouderophalend accepteren dat anderen hún ding doen, ook al vind jij dat dom, lelijk, pervers of onuitstaanbaar aanstellerig: dát is liberalisme, en volgens mij is het het enige consequente antwoord op de conservatieve islam.

Mijn boodschap aan conservatieve immigranten (en bepaalde autochtone subculturen) zou ongeveer zo luiden: “Welkom in Nederland. Er wordt hier gezopen, gefeest, takkeherrie geluisterd, gevloekt en – in allerlei creatieve geslachtscombinaties – geneukt dat het een aard heeft. Daar hoef je niet aan mee te doen, en je hoeft het niet op te zoeken. Maar als je zoon, dochter, zus of buurman dat wel wil, dan moet jij niet denken dat je daar wat over te zeggen hebt.”

Het is plat, het is nihilistisch, het is decadent, en het is precies wat het huidige integratiedebat nodig heeft.

V

Tijdens de mazelenepidemie die in 2013 de Bijbelgordel teisterde, wist een huisarts te vertellen dat zelfs de strengst gereformeerde ouders hun kinderen best wilden laten inenten – als het maar zo discreet gebeurde dat de buren er niet achter kwamen. Een anekdote die mooi illustreert dat religie slechts een gezicht van de narigheid is; de ware bron is het dorpsgevoel met z’n verstikkende sociale controle. Dat gevoel heeft van Staphorst tot de Schilderswijk vaste voet aan de grond, en lijkt nu ook het campagneteam van de ooit zo liberale VVD in z’n greep te hebben. Ik word er naar van. Nederland is een stadse, geen dorpse samenleving, en dat moet vooral zo blijven – welke partij durft dat van de daken te schreeuwen?

Posted in Culture, Netherlands, Politics | Leave a comment

NS, geef ons échte intercity’s

Gaat er een intercity naar Vlissingen?

Het is een strikvraag: aan de ene kant kun je in een trein stappen die aangekondigd staat als intercity met eindbestemming Vlissingen. Aan de andere kant staat daaronder: stopt na Roosendaal op alle stations. De NS is namelijk te beroerd om een aparte stoptrein in Zeeland te laten rijden, dus moet de intercity maar als stoptrein fungeren – met als gevolg dat er geen trein naar Vlissingen gaat die níet bij ieder bushokje stopt.

Hetzelfde geldt voor andere steden aan de uiteinden van het Nederlandse spoorwegnet, zoals Venlo en Den Helder. Wie had er ooit van Blerick of Deurne gehoord als die plaatsen niet om ondoorgrondelijke redenen tot intercitystation waren gebombardeerd? En waarom wordt de trein van Roosendaal naar Zwolle tussen Arnhem en Nijmegen plotseling een stoptrein? Maar ook in de Randstad is van echte intercity’s vaak nauwelijks sprake: denk aan stops als Schiedam Centrum of Heemstede-Aerdenhout.

Het wordt tijd dat we de intercity weer serieus gaan nemen. Intercity’s zouden alleen moeten stoppen in belangrijke plaatsen, en dan alleen op het centraal station: geen gepriegel meer met Alexanders, Sloterdijken en Lanen van NOI. (De uitzondering is Den Haag, waar we door de fysieke infrastructuur aan het gebruik van CS én HS gebonden zijn.) Als het even kan zouden er niet minder dan twintig minuten tussen stops moeten zitten – hup, kilometers maken!

intercity's

De kaart hierboven is een voorstel voor hoe het intercitynet eruit zou kunnen zien. Om te beginnen is er een ringlijn (lijn 1) die in beide richtingen door de Randstad rijdt en maar op vijf plekken stopt: de vier grote steden en Schiphol. De “centrifuge-lijnen”, die vanuit de Randstad naar verschillende hoeken van het land gaan – tegen de klok in: Vlissingen, Maastricht, Venlo, Nijmegen, Enschede, Groningen, Leeuwarden, Almere en Den Helder – vormen het skelet van het netwerk (lijnen 2 t/m 10). Verder zijn er nog wat dwarsverbindingen (lijnen 11 t/m 17) zoals de al bestaande lijn van Roosendaal naar Zwolle; en tot slot wat korte lijntjes om de gaten in het net te dichten (lijnen 18 t/m 22).

Ik ben ervan uitgegaan dat elke lijn twee keer per uur rijdt. Op een traject waar twee lijnen samenvallen (bijvoorbeeld Den Bosch-Eindhoven) rijden dus vier intercity’s per uur; op een traject waar drie lijnen samenvallen (bijvoorbeeld Rotterdam-Utrecht) zes. Nergens vallen meer dan drie lijnen samen, om het spoor niet al te zwaar te belasten; er moeten ten slotte ook nog sprinters overheen. Zes intercity’s per uur moet ook op de drukste trajecten genoeg zijn. Verder zit het systeem zo in elkaar dat je vanaf ieder intercitystation minstens twee van de vier grote steden zonder overstap (en zonder sprinters!) kunt bereiken, en dat je tussen twee intercitystations nooit meer dan twee keer over hoeft te stappen. (Alle lijnen, frequenties per traject, en overstappen per reis zijn hier in spreadsheetvorm terug te vinden.)

De sprinterlijnen kunnen ondertussen een stuk korter. Er gaat nu bijvoorbeeld een sprinter van Den Haag CS naar Breda – wie gaat er ooit in Den Haag in een sprinter zitten om naar Breda te gaan? Sprinters zouden moeten pingpongen tussen twee of hooguit drie intercitystations. De sprinter uit ons voorbeeld zou dus worden opgeknipt in drie lijnen: Den Haag CS-Rotterdam, Rotterdam-Dordrecht en Dordrecht-Breda. Dit maakt de sprinterdienstregeling een stuk overzichtelijker, doordat sprinterlijnen elkaar nergens overlappen.

Het komt erop neer dat de scheiding tussen sprinters en intercity’s veel strakker wordt: intercity’s zijn er alleen voor wat langere reizen, sprinters alleen voor korte reizen of om het dichtstbijzijnde intercitystation te bereiken. De vage mengvorm, de “intercity” die op sommige trajecten om de vijf minuten stopt, gaat eruit; daardoor wordt het met de intercity een stuk vlotter reizen. Zes keer per uur zonder tussenstops van Rotterdam naar Den Haag – ja graag!

En als we dan toch bezig zijn met de herwaardering van de intercity, mag het comfort ook wel omhoog. Om te beginnen met fiets- en bagageruimte. Ik heb in Hongaarse plattelandsboemels gezeten waar een hele wagon was vrijgemaakt voor fietsen en grote bagage, maar uitgerekend in fietsland Nederland is de fietsruimte in veel treinen beperkt tot een lullig hoekje achterin de trein waar net drie fietsen in kunnen – om van bagageruimte maar te zwijgen.

En wat te denken van de mogelijkheid om te reserveren? Natuurlijk moet het mogelijk blijven om zonder reservering direct in te checken en in een intercity te stappen, maar je zou een deel van de zitplaatsen tegen een kleine meerprijs reserveerbaar kunnen maken. Helemaal mooi zou het zijn als je een vaste zitplaats kon reserveren in een trein die je vaak neemt: “Hallo, ik wil graag een jaartrajectkaart van Utrecht naar Amersfoort, en doet u daar stoel 26 in rijtuig 3 bij in de trein van 8:16, en stoel 17 in rijtuig 1 in de trein van 17:12 terug, op alle weekdagen.” Hoeveel forensen zouden de auto laten staan als ze wisten dat ze ook in de spits van hun vaste plekje in de trein verzekerd waren?

Natuurlijk, het gaat extra materiaal en extra geld kosten allemaal, maar vanuit milieu-oogpunt zijn investeringen om het openbaar vervoer aantrekkelijker te maken uitstekend te verdedigen. De al bestaande plannen van de NS om op drukke trajecten de frequentie omhoog te gooien zijn een prima idee; nu nog zorgen dat je zonder tussenstops van stad naar stad kunt zoeven.

 

Posted in Netherlands | 5 Comments

Notes on Islam, and Notes on Europe

I

Is Islam compatible with European culture?

It’s a question that has obsessed European political life for the past fifteen years, and not one to which it’s easy to find a straightforward answer. Can you live as a practising Muslim and a well-integrated member of European society at the same time? I don’t know; I’ve never taken much of an interest in Islamic theology, and I couldn’t cite a Quran verse if you held me at gunpoint (so if I ever fall into the hands of ISIS or Al Shabaab, I’m doomed). It probably depends on which imam you ask – revealed truths have a habit of being open to interpretation.

I do, however, know a few things that definitely aren’t compatible with European culture:

  1. The idea that a woman is under the guardianship of her husband, father or brother, rather than a free human being who makes her own choices.
  2. A social code which greatly constrains individual freedom in the name of “family honour”.
  3. Rejection of homosexuality.
  4. Claiming an untouchable place in the public sphere for any religion.
  5. A sexual morality which holds that women must cover themselves when they leave their homes, because men are horny beasts who won’t be able to control themselves otherwise.

The question, then, could be rephrased as: to what extent can these “touches of medieval darkness” be separated from Islam? I am reminded of an interview with two female, reformist members of Saudi Arabia’s Shura Council, the closest thing the country has to a parliament (link in Dutch and, unfortunately, behind a paywall). They point out that the most reactionary elements in Saudi society come not from Islam but from a tribal culture that long predates it, and actually use “society should be based on Islam” as an argument for less conservative policies. But in the European context, whether or not these elements have anything to do with Islam on paper is a largely philosophical distinction; the point is that they often come bundled with it in practice.

II

Islamic or un-Islamic, whenever Arabic tribal culture rears its ugly head in Europe, the response from institutions – schools, social workers, police – is often less steadfast than one might hope. The furious rhetoric of the populist right dominates the political debate, but “in the field” we often see the opposite problem. Consider the case of the Syrian family living in Switzerland, whose two teenage sons refused to shake their female teachers’ hands. The family’s Swiss citizenship procedure was suspended, and rightly so, but only after a media storm provoked the interference of the federal government; initially the school had found a workaround by requesting the boys not shake their male teachers’ hands either.

I don’t want to shake a woman’s hand. I don’t want my child to learn about homosexuality in school. I don’t want a male doctor to treat my wife. I don’t want my daughter to take swimming lessons together with boys. The only appropriate response to such ridiculous requests is, “Have you lost your mind? That’s not how it works here.” The actual response is all too often, “Well, okay, we’ll find a way to make it work.” (And that’s not even going into the darker cases such as the infamous Rotherham scandal, where the truth about a long-running child abuse ring was covered up because of the uncomfortable political implications, and an official who spoke against this was sent on “ethnicity and diversity training.” More recently, authorities attempted to cover up or downplay sexual assaults in Cologne and Stockholm, for much the same reasons.)

Tolerance, willingness to compromise, not wanting to make a fuss over something small – in many situations these are highly desirable qualities. But in conflicts between European and Arab culture, which occur across Western Europe every day, they are the wrong approach entirely.

III

So much for Arab culture, but is it really impossible to make Islam work within a European context, without the nasty bits? Surely no one in Europe begrudges Muslims their fasting during Ramadan, their daily prayers or their pilgrimages to Mecca. (Some of us do begrudge them their ritually slaughtered sheep, but I say these people are overly sentimental about animals, and hypocrites besides: if you’re going to kill an animal for food anyway, how much moral high ground can you claim by worrying about how comfortable its final hours are?)

Indeed, I would welcome a more sophisticated, reflective version of Islam as an enrichment of the European cultural palette. I’m vaguely aware of such traditions actually existing within Islam, but only vaguely, because the Islam which Europe is faced with in practice is nothing of the sort – it is a ghastly tribal cult. A religion of the heart, not a religion of the brain.

Modern Europe was shaped largely by religions of the brain. Calvinism, Lutheranism, and even some strands of Catholicism appealed not to raw emotion, but to thought, study, and reflection. Though religions of the heart, like Anabaptism, made some headway during the turbulent Reformation years, their radicalism scared both Catholic and Protestant authorities so much that they were mercilessly crushed.

Where in the Christian world did religions of the heart gain a solid foothold? To the east, where the Eastern Orthodox Churches run on a powerful, emotional kind of devotion. And to the west, in the United States (particularly in the South), where all sorts of crazy Baptist and Evangelical sects run wild, charming their followers with singing, dancing, snake handling, and other theatrics. (Undoubtedly the stereotypical “flashiness” of American culture, which annoys many Europeans, is largely rooted in the prevalence of these emotion-based strands of Christianity.) In both East and West, it is obvious that religions of the heart are strongly linked with a reactionary political mindset: the Russian Orthodox Church is on the front lines in the Kremlin’s culture war against the “decadent West”, and the bizarre (to western Europeans) attitudes to abortion, homosexuality, and premarital sex that still circulate in the US are fueled by evangelical religion.

If we’re looking to define something like a “European identity,” I think this divide in religious traditions goes a long way. Of course, this raises uncomfortable questions about whether countries like Greece, Serbia and Ukraine with their Orthodox traditions, or even Poland with its passionate blend of Catholicism and nationalism (where have we seen that before?) can ever be truly European, but that’s a topic for another time. The point here is that if Islam is ever to find a real place within European societies, it must be an Islam of the brain – not an Islam of the heart.

Posted in Culture, Europe, Religion | Leave a comment

Thoughts on the Morning of the Brexit Vote

We march to victory, or we march to defeat. But we go forward. Only forward.

– Stannis Baratheon, Game of Thrones

I

The Brexit referendum is finally upon us, and the thought of a “Leave” victory really scares me. If we lose Britain, we lose our second-largest economy and military; moreover, the balance between the Protestant North and the Catholic South within the EU shifts in favour of the southern countries. But the psychological fallout could be even worse. So far, the European project has always had a sense of unstoppability about it: slowly as it may roll, there are no brakes on the European train, and certainly no reverse gear. When that aura shatters, when it becomes clear that European integration is reversible – on the retreat, even – that will be a huge morale boost to anti-EU forces everywhere: these past few weeks I’ve heard the words “Nexit”, “Frexit”, “Swexit”, “Dexit” and even “Czexit” floated a few times more than I’m comfortable with.

A Brexit would weaken Europe, not only materially but also morally, to such an extent that any hopes of Europe setting its own course in the world will be crushed for the next 50 years, if not longer. (Not even a 3-0 loss against Wales will be able to wipe the smirk off Vladimir Putin’s face.) As for the Brits themselves, the idea that they have anything to gain from a Brexit is based on a delusional view of how much power they can still project on their own – which is apparently somewhat of a chronic disease for them.

However, I will say this for the Brexit referendum: it’s a legitimate question to put to a vote. We can’t very well force any country to join the EU or to stay in it. If Britain really wants out, out it goes.

I can’t say the same for another recent referendum – the Dutch vote on the EU-Ukraine Association Agreement. Needless to say, I cast my vote in favour, but it seemed quite silly that we Dutch voters should get to decide this at all. And I mean, we technically didn’t: the referendum was explicitly an advisory one, and our parliament is free to ignore the outcome entirely and ratify the agreement anyway (which I’m afraid they won’t have the guts to do).

But hang on a minute – why should the Dutch parliament have anything to say about an EU treaty?

Suppose Germany signs a treaty with some other country – say, Mexico – and a bunch of people in one of its federal states – say, Saxony – hold a referendum about the treaty and reject it. The Landtag of Saxony follows this decision and refuses to ratify the treaty. Wouldn’t the Bundestag then tell the Landtag of Saxony to get stuffed? Federal states don’t make foreign policy in Germany, only the national government does.

II

Go up one layer, to the European Union, and this basic logic – different powers for different tiers of government – no longer applies. The curious fact that a handful of Dutch malcontents can hold EU decisions to ransom is just one symptom of the EU’s most fundamental problem: particularism.

Particularism basically means “putting the interests of a part ahead of the interests of the whole”. It’s one of the problems that ended the Dutch Golden Age: because almost everyone in the governing elite was only out to get the best deal for their town or region, and there was no central government that could overrule these squabbling city bosses, coherent policymaking for the Dutch Republic as a whole was next to impossible.

Particularism runs rampant in Brussels today, and the way European institutions are set up only encourages it. Not only do EU treaties need the approval of national parliaments besides that of the European Parliament (whereas even in the loosest federations, foreign policy and defence are the two policy areas that fall to the central government). Two much bigger flaws are the existence of the Council of Ministers as a legislative power alongside the European Parliament; and the fact that the same European Parliament is composed of “delegations” elected separately by each member state (instead of a single Europe-wide election where the same candidates are on the ballot everywhere).

Fix these two design flaws, and you’d ease a lot of the EU’s biggest troubles.

III

First and foremost, the “democratic deficit” would vanish. Anti-EU campaigners have a point when they call the EU “undemocratic”: in the Council, ministers from national governments – most of whom aren’t elected – decide on EU legislation. These ministers form the executive branch of government in their home countries, so this legislative role violates separation of powers. Cut the Council out of the loop, and the EU (finally) becomes a normal democracy.

Then there’s the matter of actual policy, which, in the current particularist setup, is all too often a fractured mess. One retired legal translator (link in Dutch) complained that ‘texts coming from the Commission are often reasonably coherent. It’s in the negotiations between member states where they fall to pieces.’ Every one of the twenty-eight member states wants to see their own touch in the final text – something the ambassadors and ministers can proudly show to their colleagues at home: look, we got the Czech/Italian/Irish viewpoint in there! This leads to bloated and often outright contradictory legislation. Budgeting is no better – European Court of Auditors member Alex Brenninkmeijer summed up member states’ attitudes on EU money as ‘better poorly spent in our country than well spent elsewhere.’

And what about Brussels’s legendary near-total absence from the mental universes of ordinary Europeans? Well, might that have something to do with the fact that we’ve never had truly European elections? European Parliament elections are separated by country. The campaigns are run by national parties; the candidates are figures from national politics. Change that, put the same names on the ballots everywhere, and you force the creation of a truly integrated European political class, one which will have to campaign for votes and reach out to voters all across Europe – something generations of Brussels politicians have failed to do. Except for diehard Brussels watchers, nobody has heard of European “parties” like ALDE or the EPP or the Socialists & Democrats; that will change when these parties are on our ballots and campaigning for our votes, instead of Venstre or the CDU or the Parti Socialiste.

An end to the particularist setup would also make the Union more robust against shocks coming from a single country. Remember when Greece accounted for ‘2% of European GDP but 98% of European meetings’? If the Dutch province of Limburg turned out to have been lying about its finances for years, that would hardly pose an existential threat to the Netherlands as a country. Oh, and while we’re at it, we could cut the European Commission from its current ridiculous size (twenty-eight!) to a more practical number – say, ten or twelve commissioners. Can you imagine how bloated the French cabinet would be if there had to be a minister from each department?

IV

The end goal must be a Federal Republic of Europe, on the German model (there admittedly isn’t much of a case for calling it “Imperial Europe”, as I proposed earlier, beyond “it would be, like, totally awesome“). The member states as we know them now will remain a relevant layer of government, with the final say in a range of policy areas such as education, health care, policing, taxation and public transport – but decisions taken on a European level must be taken by the European Parliament; what the parliaments and governments of Slovakia, Portugal or the Netherlands think about it doesn’t matter.

By this point anyone with a more pragmatic mindset will have told me a dozen times that this is all well and good, but it’s not “politically feasible”. And sure enough, it’s a rotten time for plans like these; we’ve let the undemocratic, uninspiring version of the European Union plod on for so long that ordinary Europeans’ indifference to the project has turned into outright hostility in many circles.

But the defeatism in the pro-European camp is a self-fulfilling prophecy. Politicians who are pro-EU on paper refuse to defend the union with any shred of passion, because they fear too enthusiastic support for “Brussels” will run against widespread anti-EU sentiment and cost them votes. (In the run-up to the Dutch Ukraine referendum, all the moderate Dutch parties were in favour of the treaty, but only one of them campaigned for a Yes vote with any sort of conviction.) But how are these anti-EU sentiments ever supposed to change if no one is telling any positive stories about Europe, at least not at a volume exceeding a half-hearted mumble?

Pro-European politicians need to show backbone instead of meekly swaying with the breeze of populist rage. Clearly say what you want with Europe and why, and stand for it; that will win you a lot more respect than the current politics of appeasement.

The crucial arguments for European integration are barely heard in any debate beyond a tiny circle of enthusiastic Europhiles. Screw the hazy calculations about economic growth; let’s talk about how much more coordinated European energy policy needs to be if we want to secure a reliable energy supply in the future. About why we need military cooperation to guarantee our security in an unstable world – something we can’t leave to the Americans forever. About why the solution to the migrant crisis is effective control of the external border, not the return of internal ones. About the fact that Britain, Germany or France – let alone Belgium or Latvia – will never be taken as seriously in Washington, Moscow and Beijing as a united Europe would.

And let’s build an effective, democratic European Union to achieve those goals – hopefully with Britain.

 

Posted in Europe, Politics | Leave a comment

De kiezer is ook niet achterlijk

Even een radicaal voorstel, en ik weet dat het cliché klinkt, maar: wat als politici hun kiezers eens serieus gingen nemen?

Wat als ze kiezers als volwassen, intelligente mensen zouden benaderen, in plaats van als domme kinderen van wie de emoties bespeeld moeten worden met doorzichtige PR-trucs?

Dus geen opgeklopte oneliners meer in de media, in de trant van ‘onze partij heeft een geweldig plan waarmee alle problemen opgelost worden’ of ‘alle ellende in de wereld is de schuld van deze minister.’ De kiezer is ook niet achterlijk, die prikt daar zo doorheen. Geen overdreven vereenvoudigingen meer, geen Jip-en-Janneketaal (bijvoorbeeld ‘groen’ voor alles wat met duurzaamheid te maken heeft – we zijn toch zeker geen kleuters die alles met kleurtjes uitgelegd moeten krijgen). De politiek zou in één klap heel wat nuchterder en zakelijker worden.

En de kiezers die het op die manier allemaal niet snappen? Wel, wat doe je in je privéleven met mensen die pertinent niet in staat blijken om zich als ‘volwassen, intelligente mensen’ te gedragen? Inderdaad, die laat je lekker links liggen. Dat zouden politici ook eens moeten doen. Hou op je in bochten te wringen om domme en/of onbeschofte mensen te behagen; richt je op de kiezers met wie je kunt praten als redelijk wezen tot redelijk wezen, en doe dat dan ook.

Het zal allemaal wel leiden tot een onoverbrugbare kloof door de samenleving en 80 zetels voor de PVV. Maar tot die tijd zou de politiek tenminste minder deprimerend worden om naar te kijken.

Posted in Netherlands, Politics | Leave a comment

Linkse en rechtse borrelpraat

Vanavond viel mijn oog op twee opiniestukken die op de Volkskrant-site toevallig precies naast elkaar terecht waren gekomen, van twee mensen die het waarschijnlijk over weinig eens zouden kunnen worden: Geert Wilders over referenda en Asha ten Broeke over de angst voor verkrachtende asielzoekers. Je zou het eerste stuk als rechtse borrelpraat kunnen typeren (duh, het is Geert Wilders) en het tweede stuk als linkse borrelpraat (duh, het is Asha ten Broeke). En ik moet zeggen dat ik in dit geval de linkse borrelpraat vervelender vind dan de rechtse.

I

Eerst Wilders. Ik ben in het algemeen geen fan van politici die opiniestukken in de krant schrijven – zoiets wordt toch meestal een platte advertentie voor de eigen stokpaardjes, zonder veel nuance of inhoudelijke originaliteit. Voor een roeptoeter als Wilders geldt dat natuurlijk al helemaal. En inderdaad zitten er een paar hemeltergend flauwe oneliners in (‘Volgende week houdt de Europese Unie een migratietop op Malta. Wat Nederland nodig heeft, is geen migratietop maar een migratiestop’), herhaalt Wilders heel vaak hetzelfde punt in verschillende bewoordingen, en legt hij verbanden die je op z’n minst dubieus kunt noemen (‘[De burgers] willen betere zorg en meer aandacht voor de ouderen. Maar moeten betalen voor migranten en Grieken.’)

Maar: Wilders heeft een concreet beleidsvoorstel – meer referenda. Hij heeft er een argument voor: ‘Het volk weet véél beter wat goed is voor Nederland dan de regenten in Den Haag.’ Daar kun je het mee eens zijn of niet, maar er is tenminste een stelling, en een poging die te onderbouwen. Wil je gaten schieten in Wilders’ redenering, dan weet je hoe het doelwit eruit ziet en waar je naar munitie moet zoeken. (Persoonlijk zou ik hier beginnen: ‘De asielcrisis is een symptoom van een veel diepere kwaal. Namelijk een politieke elite die de voeling met het volk heeft verloren.’ De asielcrisis is een symptoom van heel veel kwalen, maar die lijken me van zo’n kaliber dat de Nederlandse politieke elite er niet veel aan kan doen – een formidabel staaltje Haagse zelfoverschatting van een man die toch ook alweer zeventien jaar in de Tweede Kamer zit.)

II

Dan Ten Broeke. Zij heeft het over het idee dat asielzoekers massaal vrouwen gaan verkrachten, een opmerkelijk populair angstbeeld in de Hollandse asielchaos. Het is een beetje een warrig verhaal, waarin Ten Broeke braaf belijdt dat ze uiteraard voor vrouwenrechten is en het heel erg vindt als vrouwen verkracht worden (‘Laat er geen misverstand over bestaan’), om vervolgens hoofdschuddend vast te stellen: ‘Maar een roep om bescherming en verantwoordelijkheid is niet de primaire reactie op berichten over verkrachtende vreemdelingen. Veel mensen slaan rechtsaf, richting het xenofobische eigen-volk-eerst-achterpad van ‘weten we eigenlijk wel wie we in huis halen?”

Ja, en? Het is zo’n stukje waarvan het lastig te begrijpen is wat de schrijver nou eigenlijk wil. De kop die erboven prijkt, ‘Waar komt die hetze vandaan?’suggereert dat hier naar een verklaring voor een fenomeen gezocht wordt, maar dat is niet zo. Wat betoogt Ten Broeke dan, dat mensen die ‘Een asielzoeker met een volle zak pakt uw dochter met groot gemak’ op een spandoek schrijven geen gezellige types zijn? Gôh. Ook een voorstel om ons gedrag of beleid te veranderen ontbreekt, net als een poging om mensen te overtuigen van een andere zienswijze: hoeveel mensen zullen er zijn geweest die op het punt stonden om een scheldkannonade over asielzoekers op Facebook te gooien, maar na het lezen van Ten Broekes stukje dachten: ‘Oei, dan ben ik een enge rechtse xenofoob, toch maar niet doen’?

Het dichtst in de buurt van een concrete stelling komt haar vergelijking met de zuidelijke VS, en het enorme racisme dat daar in de tijd van vóór de burgerrechtenbeweging heerste. Daar heerste het beeld dat zwarte mannen constant blanke vrouwen verkrachtten als ze de kans kregen, en ‘dat gold dan weer als publieke rechtvaardiging voor gruwelijke lynchpartijen.’ Met haar uitsmijter (‘ik vrees dat wij als samenleving op dit moment spelen met vuur’) suggereert Ten Broeke min of meer dat we hard op weg zijn net zo’n racistische samenleving te worden, omdat ook hier ‘het archetype van de verkrachtende vreemdeling’ in zwang is – maar ik mag hopen dat dat geen stelling is die ze serieus zou willen verdedigen, en als wel, dan is het een staaltje stemmingmakerij waar geen honderd schreeuwende Brabanders tegenop kunnen.

III

Nee, als ik het zo lees, lijkt Ten Broeke niet méér met haar stukje te willen bereiken dan luid en duidelijk haar afkeuring te laten horen van het ‘xenofobische eigen-volk-eerst-achterpad.’ Het is een geloofsbelijdenis, zoals heel veel van wat er links en rechts over politiek geschreven wordt pure geloofsbelijdenis is: even laten zien dat je bij de juiste kerk hoort, zonder verder veel te zeggen.

Ik merk bij mezelf dat ik me steeds meer ga ergeren aan dit soort gepreek voor eigen parochie. ‘Lezer verdient beter dan foute, nietszeggende meningen,’ was de kop boven een eerder stukje uit Ten Broekes pen. Helemaal mee eens – en de lezer verdient ook beter dan meningen die geen enkele concrete bijdrage aan het debat leveren, maar alleen dienen om het morele superioriteitsgevoel van de auteur te strelen.

Posted in Netherlands, Politics | Leave a comment

Europe – Visions of Empire

Some time ago I read Imperium der Zukunft: Warum Europa Weltmacht werden muss (“Empire of the Future: Why Europe must become a world power”) by Alan Posener. I didn’t particularly like it – although there are some sharp observations in there, it’s unclear to me what Posener actually proposes, and he takes way too many cheap shots at his supposed opponents. The book did, however, get me thinking about what an Empire of Europe could look like.

And the answer I came up with was “Uh, something like this?”

I

You’ll notice that my fantasy Empire is a lot bigger than the current Union, stretching all the way to the Russian border and covering all of the Balkans as well as notorious separatist holdouts like Switzerland and Norway. Kaliningrad, or rather Königsberg, is firmly in European hands as well.

German readers will recognise the little star in the middle as Frankfurt am Main. Why should Frankfurt be the imperial capital? Well, for starters, it’s more or less centrally located. It’s already a major transport hub and powerful financial centre (housing, among other things, the ECB’s headquarters). It’s not an existing national capital, avoiding implications that the imperial project is actually one European country annexing the others. And last but not least, it has precedent for this sort of thing.

The Empire is divided into provinces called “prefectures” (more on that name later). To form these, I looked up Eurostat’s population figures by NUTS-2 region, and started grouping regions into blocks of approximately 10 million people. (See here for more details on how I formed the prefectures.) Such a size would make each prefecture big enough to efficiently organise most functions of government, but too small to be even a middling regional power in its own right. More importantly, making the prefectures all roughly the same size would remove the whole dynamic of “small countries” versus “big countries” that causes so much rivalry and tension in the existing European Union.

(On the map, prefectures are grouped into seven “Circles”, but these are merely for orientation and statistical purposes; there are no institutions of government at the Circle level. However, large businesses, sports leagues, and NGOs often use the Circles as convenient dividing lines in their organisational structure.)

In many places, I deliberately cut across existing national borders, to emphasise that the Empire is a new state running on its own logic – not just a tighter form of cooperation between existing countries.

II

So how is this new state governed? Obviously it’s too big for an entirely centralised system, so responsibilities are divided between the imperial government and the prefectures. Examples of policy areas left to the prefectures include education, police, healthcare and transportation, whereas Frankfurt concerns itself with things like social security, foreign affairs, energy, and defence. (Social security in particular will be a daunting task to harmonise across all of Europe, but it’s essential for a coherent economic policy.) Thorny questions about fundamental rights, in areas such as medical ethics and family law, are also decided on an imperial level.

The alpha and omega of imperial politics is the Senate, a 500-member legislative assembly. The Senate is elected every four years by proportional representation, with the same lists of candidates on every ballot throughout Europe. To prevent fragmentation, there is a voting threshold of 7.5% – we don’t really need more than four or five parties. To keep out parties with a strong regional focus, each new party needs to gather a large number of signatures in each prefecture in order to register for elections (say, 0.05% of the prefecture’s total population). Otherwise, the Senate could turn into a mere addition sum of bickering regional interests, which is one of the biggest problems with the current EU.

The executive branch of government is headed by the Imperial Chancellor, who together with his ministers forms the Imperial Cabinet. (There’s also a President of the Empire, elected by the Senate, but he’s more of a figurehead, similar to the current presidents of Germany and Italy). Needless to say, both the appointment of Cabinet members and the policy decisions they make need to be approved by the Senate.

There are nine ministers on the Cabinet, each leading a department of the Imperial Civil Service (ICS): Energy, Natural Resources, and the Environment; Interior (Home Office); Foreign Affairs; Defence; Labour and Economic Affairs; Finance; Immigration and Integration; Science and Culture; Justice and Civil Rights.

A new Senate means a new Cabinet, but the reverse isn’t true: if a Cabinet collapses prematurely, because of internal strife or a vote of no confidence from the Senate, a new Cabinet is formed and has to seek the approval of the existing Senate.

Besides the Senate, there’s also the Constitutional Council. This is a 50-member assembly elected by the prefectural legislatures. Its members have no party allegiance and serve six-year terms. To create some distance from the day-to-day political process, and prevent mid-term surprises that can hamstring a Cabinet, Council elections are held in piecemeal fashion, with two Council members being elected every three months. To keep Council members from becoming “delegates” who represent a single prefecture’s interests – remember, we don’t want regional interests dictating imperial policy! – the votes from all prefectural legislatures are thrown onto the same pile. The Council concerns itself with the technical details of bills and their compliance with the Imperial Constitution, combining aspects of an upper house of parliament and a constitutional court. The Council’s approval is necessary for a bill to become law; it can also strike down existing legislation as unconstitutional, but this requires an 80% majority.

III

On the prefectural level, things work largely the same, with a legislature called a Diet, and a Cabinet headed by a Governor. (There is no prefectural equivalent of the Constitutional Council.) Each prefecture is divided further into departments, again with their own legislative and executive institutions; the exact structure and terminology of these lower tiers of government varies slightly by prefecture, though, and major cities are often given a special status.

Speaking of terminology, shouldn’t something called a “prefecture” have a prefect? It should, and it does. The Prefect is a sort of ambassador of the imperial government: the eyes, ears and voice of Frankfurt within his prefecture. As the Prefect is a civil servant who does not answer directly to any elected body, he has no decision-making powers of his own.

The Prefect and his staff, responsible for maintaining good relations with the prefectural institutions and making sure they properly carry out the laws of Empire, are on the payroll of the Home Office – one of the aforementioned departments of the Imperial Civil Service.

Given the Empire’s size, the ICS obviously forms only a small portion of the entire civil service; the total number of civil servants employed at the prefectural level and below is much greater. But what the ICS lacks in quantity, it makes up for in quality: these are the elite troops of Empire, drilled in a Prussian ethos of duty and discipline. They enjoy high salaries and generous benefits, but there’s a zero-tolerance policy for fraud, embezzlement, favoritism and other such abuses – and the ICS only takes the best.

“The best” are the graduates of Academies of the Empire (AotE). These schools, established specifically to educate ICS personnel, are the only form of education run from the imperial rather than the prefectural level; there is at least one AotE in each prefecture. In many ways, the AotE are to the Empire what the grandes écoles are to modern-day France.

Academies of the Empire don’t only provide excellent university-level programmes in various fields relevant to ICS work (such as tax law, econometrics or environmental biology); all students are also taught extensively about European history, and the wide range of cultural sensibilities they’ll encounter at their postings from Iceland to Cyprus. Last but not least, the AotE programme includes absolute fluency in the three languages of Empire: German, French and English.

AotE charge no tuition, but the admission exam is very difficult, and students who can’t keep up with the demanding curriculum are swiftly shown the door. AotE graduates are guaranteed a job in the ICS – in fact, they are required to work there for at least five years (the Empire has invested heavily in their education, after all). Many opt for a longer career in the ICS, but AotE graduates are also highly sought after in the private sector.

IV

I mentioned German, French and English as the “three languages of Empire”; fluency in these three is required not only for ICS personnel, but also for anyone with political ambitions at the imperial level (all three languages are allowed in Senate debates). In general, whenever imperial citizens of different native languages need to communicate, they tend to use one of these three.

Of course, many more languages are spoken throughout Europe, and these can attain a status called Imperial Accreditation if they meet certain requirements: a minimum number of native speakers within the Empire (say, 200,000); a standardised grammar and spelling; and a language academy, located within imperial territory, which regulates those standards – think e.g. of the Académie Française. (You hear that, English? No academy, no recognition. Get your act together already.)

Only Imperially Accredited languages are allowed to be used in official contexts (e.g. schools, courts of law, and government communication) – including at the prefectural, departmental, and local level. The Empire supports Accredited academies in preserving and promoting their respective languages. Imperial legislation must be translated into all Accredited languages; prefectural legislation into all Accredited languages spoken in that prefecture (usually two or three).

V

Last but not least, the Empire maintains a huge military to protect both Europe itself and European interests throughout the world. With almost two million active personnel, a dozen aircraft carriers, and a nuclear arsenal inherited from Britain and France, the Imperial European Armed Forces are not to be taken lightly. (Of course, worldwide nuclear disarmament is a big priority in the Empire’s diplomacy, but the Empire will not disarm unilaterally – that would leave it at a serious strategic disadvantage against less scrupulous powers.)

The American troops once stationed in Europe have long gone home.

VI

All right, back to reality. Even if everyone in Europe focused all their energy on making this happen, we’d reach the situation outlined above in 2050 at the earliest – and, well, somehow I don’t think everyone in Europe is going to do that. In the current climate at least, an Empire of Europe crosses too many interests and offends too many sensibilities to be remotely politically feasible – and that’s not even going into the practical problems. Getting Belgrade, Donetsk and Palermo to march in lockstep with Frankfurt on a bunch of really important issues? Convincing Norway and Switzerland to join the European project? Prying Königsberg and Crimea from Russia’s hands without accidentally triggering World War III? Entirely abolishing all European nation-states and replacing them with provinces cutting crisscross through existing borders? Those aren’t exactly easy tasks, no matter how many top-educated Prussian bureaucrats you throw at them.

In general, far-off utopian blueprints are rarely a good basis for practical policymaking, and these “Visions of Empire” are no exception. Why did I bother writing them down, then? Because sometimes, it can help to articulate what you really want, in order to provoke thought and inspire debate.

And, well, Imperial Europe is the kind of Europe I’d really want to live in. A Europe with a streamlined and democratic central government, rather than the Gordian political knot that is “Brussels” today. A Europe that strides confidently across the world stage as a superpower in its own right, dealing with the US and China on an equal footing and with Russia from a position of superiority. A Europe that properly coordinates its own transition to a sustainable economy. A Europe that sets aside petty local squabbles for the sake of a common cause – and encourages its brightest minds to make a career out of serving that cause. One great big oasis of peace, prosperity, freedom and good governance, encompassing 600 million people or more, making them proud to be imperial citizens – proud to be Europeans.

A man can dream.

Posted in Europe, Politics | 1 Comment